Zoeken
  • Alfons Caris

Basilica di Sant'Elia, de schoonheid van romaanse eenvoud

Bijgewerkt op: 12 mei



Castel Sant’Elia is een klein stadje in een verder nogal eenzame streek zo’n vijftig kilometer ten noordoosten van Rome. Op het eerste gezicht maakt het plaatsje, dat op een hoog tufsteenplateau ligt, een wat stoffige en ingedutte indruk, maar bij nadere kennismaking blijkt het toch best wel vitaal. Al slenterend door de straatjes proef je overal het verre verleden. Ik ben hier echter niet zozeer voor het stadje zelf, dat waarschijnlijk vernoemd is naar de bijbelse profeet Elias, maar voor de gelijknamige basilica, een oude romaanse kerk die aan de voet van het plateau ligt.



De afdaling vanuit het dorp naar de basilica is ronduit spectaculair. De Via Sant’Elia (tja, veel fantasie op het gebied van namen had men kennelijk niet) slingert zich naar beneden, met rechts uitzicht op de uitbundig groene vallei, terwijl aan de linkerkant de oranjeachtige tufsteenwanden bijna loodrecht omhoog rijzen. De openingen in de wanden getuigen van het feit dat lang geleden de rotsholtes als woonruimtes en grafplaatsen in gebruik waren. Later huisden er, zo willen de legendes, kluizenaars.

Bij het naderen van de basilica ontvouwt zich ook het schitterende achtergronddecor van de kerk. Het lijkt wel alsof je een tafereel van een romantisch landschapsschilderij binnenstapt!






Op deze plek in de vallei werd rond het jaar 520 door een zekere abt Anastasius een benedictijns klooster gesticht. Van dat klooster is niets meer over, maar Anastasius leeft in de herinnering voort als patroonheilige van Castel Sant’Elia. Kennelijk wist deze monnik in heiligheid uit te stijgen boven de naamgever van de stad.



Om het nog ingewikkelder te maken: de basilica is niet vernoemd naar de profeet, maar naar een (al dan niet toevallig gelijknamige) abt Elia, die in het begin van de 11e eeuw de kerk stichtte op de fundamenten van het klooster. Sinds die tijd is de basilica nauwelijks van gedaante veranderd. Alleen stortte in de 19e eeuw de toren in. Op deze prent kun je zien hoe het gebouw er oorspronkelijk uitzag.


De basilica met zijn sobere, typisch vroegromaanse uiterlijk is – hoe kan het ook anders – opgetrokken uit tufsteen. De drie schepen van de kerk rusten aan de binnenzijde op marmeren zuilen met Korinthische kapitelen die uit de Romeinse tijd dateren en dus van villa’s en andere gebouwen uit de omgeving afkomstig moeten zijn. Eén kapiteel wijkt af: dit is een zogenaamd maskerkapiteel uit de Longobardische periode, die niet lang na de stichting van het inmiddels verdwenen klooster begon.








Een van de pronkstukken van de kerk is het 12e-eeuwse ciborium, de ‘overkapping’ van het altaar. De vier zuilen dragen een tempelachtig dakje. Maar ook de preekstoel mag er zijn, met zijn rijkversierde reliëfs die geometrische patronen en gestileerde planten, bloemen en vogels laten zien.







De indrukwekkende vloer is niet meer helemaal intact, maar er resteert genoeg om volop te kunnen genieten van het kunstige, fantasievolle en kleurrijke marmeren inlegwerk. De stijl is van het zogenaamde cosmatische type, een term die duidt op het werk van ambachtslieden die in de 12e en 13e eeuw vooral in Rome en omgeving werkzaam waren.




Verbaas je trouwens even mee over dit graf in vloer, met op de afdekplaat de tekst ‘Hier ligt de priester’. Is dit een variant op het Graf van de Onbekende Soldaat?



Het meest interessant zijn misschien wel de stokoude, maar goed bewaarde fresco’s in de apsis en op de zijwanden van het dwarsschip. Deze worden toegeschreven aan de broers Giovanni en Stefano Niccolò, die in het begin van de 11e eeuw actief waren in deze streken. Boven in de apsis zien we de herrezen Christus met Petrus en Paulus en twee andere bijbelse figuren. In de strook daaronder twaalf lammeren, die de apostelen verbeelden. Onderin lopen jonkvrouwen met kronen in de hand naar een figuur in het midden die niet meer zichtbaar is; waarschijnlijk Maria.







De fresco’s op de wand van het rechterzijschip dateren uit wat later tijd, de 13e of 14e eeuw.





In de twee duistere cryptes onder het koor liggen maar liefst twee heiligen begraven: in de grootste de al eerder genoemde Anastasius, in de andere een zekere Nonnonius van Monte Soratte.





Naast en achter de basilica ligt een klein kerkhof. Ik weet, het is misschien niet zo respectvol om foto’s te maken op zo’n plek, maar soms is een cimitero zo bijzonder en zo intiem, dat ik het niet laten kan.






Fotocredits:

foto 12: Wikicommons, auteur onbekend

foto 15: www.basilicadisantelia.it

Alle overige foto's eigen werk.

220 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven