Zoeken
  • Alfons Caris

San Vincenzo al Volturno - 1300 jaar kloosters bouwen



Van de Volturno heb je waarschijnlijk nooit gehoord. Het is de naam van een streek (genoemd naar een riviertje) in een uithoek van Molise, waar het een soort drielandenpunt vormt met Abruzzo en Lazio. Ook Campania is niet ver weg. De Volturno is dan wel weinig bekend, maar daarom niet minder aantrekkelijk. De ongerepte groene landschappen zijn bezaaid met heuvels en bieden onderdak aan kastelen en verstilde oude dorpen, zoals Castel San Vincenzo en Cerro al Volturno met het massieve Castello Pandone. Bijzonder is ook Scapoli, waar nog steeds de zampogna gemaakt wordt, een soort doedelzak die al eeuwenlang zijn partij meeblaast in de Zuid-Italiaanse volksmuziek.







Wie in deze contreien rondrijdt doet er verstandig aan om goed uit zijn ogen te kijken, want de kans dat een kudde koeien plots je pad kruist is niet gering. De beesten lijken op de automatische piloot van A naar B te kuieren; een herder is vaak in geen velden of wegen te bekennen. Ook de paarden hebben hier vrij spel op de grazige flanken van de heuvels.




Een van de redenen om de Volturno te bezoeken was mijn nieuwsgierigheid naar de Abbazia di San Vincenzo, een middeleeuwse abdij die op een vlakte tussen de heuvels ligt, dichtbij het riviertje. Het kloostercomplex van San Vincenzo al Volturno, waarvan nu vooral nog de kerk resteert, werd gebouwd aan het eind van de 11e eeuw. Samen met de grotendeels vervallen bogengalerij die er aan de voorzijde langs loopt vormt de kerk een prachtig plaatje.




De San Vincenzo heeft in de loop van de tijd al heel wat verbouwingen ondergaan. De kerk die er nu staat maakt zowel binnen als buiten een sobere en strenge indruk. Het verleden wordt in herinnering gebracht door enkele originele vloerdelen en door in de wanden aangebrachte ornamenten die dateren uit de stichtingsperiode. In de toren zijn op panelen grote foto’s te zien van de schitterende fresco’s die de abbazia vroeger gesierd hebben.




Nu was het zo, dat ik tijdens de bezichtiging van de kerk al snel overvallen werd door een onbestemd gevoel, omdat ik niet goed begreep hoe heden en verleden zich hier met elkaar verhielden. En van die foto’s werd ik nog onrustiger. Fresco’s? Waar zijn die nu dan? Het leek wel of er iets verborgen gehouden werd. De toelichting bij de foto’s bood gelukkig uitsluitsel. Ik bevond me namelijk in wat nu genoemd wordt de Abbazia Nuova. Een ‘nieuwe’ kerk uit de 11e eeuw dus, oftewel: er is een voorganger geweest. Het is altijd even wennen aan de volstrekt andere historische tijdlijnen waar je in Italië mee te maken hebt. Terwijl we in de Lage Landen nog in modderhutten woonden, schiep men in Italië al een volgende generatie kerken en kloosters.




Na het verlaten van de kerk wordt de zaak snel duidelijk, want aan de overzijde van het riviertje ligt een uitgestrekt archeologisch park, met de overblijfselen van de vroegere abdij en de gebouwen die daarbij hoorden. Het is een ingewikkelde geschiedenis, maar het komt erop neer dat hier in de 4e eeuw al een kerkje lag met een begraafplaats. Later, in het begin van de 8e eeuw, arriveerden er volgens de legende drie ridders uit Benevento, die zich aan een ascetisch leven wilden wijden en op deze plek een klooster bouwden. In de jaren daarop groeide die abdij uit tot een enorm complex, waar op het hoogtepunt maar liefst 350 monniken woonden die allerlei werkplaatsen (bedrijven, zouden we nu zeggen) en landgoederen runden. De abdij had rijke bezittingen in heel Zuid-Italië, beschikte over een hoge mate van autonomie en kende een eigen rechtspraak. Het was, kortom, een soort stadstaat, of misschien is monnikenstaat een beter woord. Je ziet het allemaal terug in de plattegrond van de opgraving: een enorme wirwar van kerken, kapellen, kloostergebouwen en bedrijfsruimtes.






Hoe zit het nu met die fresco’s? Nou, die bevinden zich dus in dit oudere deel van de abbazia, vooral in de zogeheten cripta di Epifanio. Ze dateren van rond 850. Kijk mee hoe prachtig ze zijn.






Ondanks – of misschien juist vanwege – zijn grandeur en rijkdom had de abdij van San Vincenzo geen rustig bestaan. Na een aardbeving in 848 moesten de monniken twaalf jaar later een plundering door de Arabieren afkopen. Die plundering kwam er in 881 alsnog, door toedoen van een Arabische huurlingenbende die werkte in opdracht van de Byzantijnse bisschop (!) van Napels. Met steun van de Duitse keizers van het Heilige Roomse Rijk, Otto II en III, kon de boel weer opgebouwd worden.


Later arriveerden de Normandiërs (Noormannen) in deze streken en werd het voor de monniken opnieuw onveilig. Ze besloten de gebouwen te verlaten en te ontmantelen en aan de overzijde van de rivier een nieuw complex te bouwen. Dat werd dus de Abbazia Nuova, waar mijn bezoek begon. De nieuwe abdij werd geconstrueerd als een complete vesting, met muren en torens, waarvan je nu alleen de fundamenten nog kunt zien. Binnen de ommuring lag ook een groot atrium als een soort voorportaal van de kerk. Op deze tekening kun je zien hoe dit ‘bolwerk’ was ingericht.



We kennen de vroege geschiedenis van de San Vincenzo dankzij de Chronicon Vulturnense, een manuscript uit de 12e eeuw dat terugvalt op oudere bronnen die teruggaan tot de stichting van de abdij. Het document wordt nu bewaard in de archieven van het Vaticaan.

Voor mijzelf rest de vraag, hoe ik nu die bogenrij (resten van een portico?) aan de voorzijde van de Abbazia Nuova moet plaatsen. De reconstructietekening biedt geen uitkomst. Iemand een idee?



Foto's:

Foto's 12 en 29-46: Sailko (Wikimedia)

Overige foto's: eigen werk

182 weergaven1 opmerking

Recente blogposts

Alles weergeven