Zoeken
  • Alfons Caris

Tuscania – een Etruskische dodenstad in de wildernis, en hoe één man een abdij herbouwt.



Ken jij iemand die een totaal vervallen abdij koopt en eigenhandig en met eigen middelen weer opbouwt? Nee, ik ook niet. Toch bestaan zulke uitzonderlijke mensen. Ik neem je mee naar de San Giusto, een cisterciënzer abdij in de vallei van de rivier de Marta, enkele kilometers ten zuiden van Tuscania. We zijn daar in de noordwestelijke punt van Lazio, niet ver van de Toscaanse Maremma.





De abdij van San Giusto werd gebouwd in de twaalfde eeuw, waarschijnlijk op de fundamenten van een benedictijnse voorganger die al genoemd wordt in documenten uit de tiende eeuw. Dit gebeurde op instigatie van de bekende abdij van Fontevivo nabij Parma, die op haar beurt onder de vleugels viel van het nog beroemder klooster van Clairvaux in Frankrijk.






Een lang en gelukkig leven was de San Giusto niet beschoren. Na allerlei strubbelingen met de Kerk en met de moedervestiging werd de kloostergemeenschap al in 1460 opgeheven. Het klooster werd verlaten en begon aan een eeuwenlange periode van verval.







In 1990, meer dan 500 jaar dus na het vertrek van de monniken, kocht Mauro Checcoli, een ingenieur uit Bologna, de bouwval van San Giusto van een herder, die de restanten van de kloostergebouwen in gebruik had als stallen. In de jaren daarna heeft hij de abdij met respect voor de historie, de oorspronkelijke structuur van het complex en de originele bouwmaterialen geleidelijk gerestaureerd en in de vroegere luister hersteld. Twintig jaar lang is hij hiermee bezig geweest.






Natuurlijk heeft Checcoli de abdij niet steen voor steen eigenhandig opgebouwd, maar het het mag toch wel heel bijzonder heten dat een particulier zo’n onmogelijk lijkend project durft op te pakken en tot een goed einde weet te brengen. Pure passie voor de recuperatie van kostbaar erfgoed! Op oude zwart-witfoto’s is te zien hoe de abdij erbij lag voor de restauratie begon.



In 1970 maakte de beroemde fotograaf Paolo Monti deze foto’s.



De abdijkerk van San Giusto is opgedeeld in drie secties. Het hoogkoor was voor de monniken, het middenstuk voor de lekenbroeders en het achterste deel, bij de ingang, voor gasten en pelgrims. In de cripte zijn Romeinse zuilen en kapitelen verwerkt. De vallei van de Marta was in de Etruskische en Romeinse tijd druk bewoond.

Op het terrein van de abdij ligt nu een B&B. Ook in de kerktoren is een appartement (met dakterras) ondergebracht! De kloosterruimtes worden gebruikt voor congressen, trouwpartijen enzovoort. Kijk eens op de website abbaziadisangiusto.com en geniet van de prachtige foto’s.








De San Giusto is, net als trouwens de hele stad Tuscania, gebouwd met het meest voor de hand liggende lokale materiaal: tufsteen. Wie tufsteen zegt, zegt Etrusken. En inderdaad is de wijde omgeving van Tuscania bezaaid met sporen van Etruskische aanwezigheid. Alleen al op het grondgebied van de gemeente bevinden zich zo’n twintig necropoli, dodensteden. Verreweg de meeste daarvan liggen op particulier terrein en zijn niet te bezichtigen. Een zeldzame uitzondering is de Necropoli della Peschiera, een paar kilometer ten noorden van de stad.





Deze necropolis ligt in een wildernis, een ruig bos waar wilde zwijnen en andere beesten de baas zijn, en is alleen onder begeleiding te bezoeken. Zonder gids zou je er trouwens niet snel iets vinden.




Deze tombe, waarvan ik niet weet of hij een naam heeft, had vroeger een koepelvormig dak. Hij is half ingestort en deels uiteengevallen, maar kijk hoe prachtig hij opgaat in een geheel met de oude kurkeiken.




In de wat hogere rotswanden zijn de graven in verdiepingen uitgehouwen. Vrijwilligers hebben deze tombes toegankelijk gemaakt met primitieve trappen en loopbruggen. Het is niet veel meer dan steigerwerk, maar wel functioneel. Probeer je ook voor te stellen hoe deze onvolprezen vrijwilligers al die totaal overwoekerde graven hebben vrijgemaakt van bomen, struiken, modder en gesteente.

Het mannetje met de hoed is schrijver dezes, die zich voor even Indiana Jones mocht wanen.





Pronkstuk van de necropolis is de Tomba del Dado, ook Tomba a Casa genaamd. De Etrusken vonden dat de doden een ‘woning’ moesten hebben en imiteerden daarom huizen in de tombes. Bij dit majestueuze graf, dat dateert uit de zesde eeuw voor Christus, is dat goed te zien. Op het eerste gezicht denk je dat het om een ‘gebouwd’ graf gaat, maar dat is niet zo: het is met vier vrijstaande gevels en een schuin dak helemaal uitgehouwen uit de tufsteen. Binnen heeft het een centrale kamer en twee zijkamers.






De Necropoli della Peschiera is slechts beperkt te bezoeken en, zoals gezegd, alleen onder begeleiding. Informatie daarover kun je inwinnen bij het toeristenkantoor van Tuscania, Homepage - Pro Loco di Tuscania (prolocotuscania.it).


Fotocredits:

25 t/m 29: website van de abdij

30 en 31: Wikimedia

Overige foto's: eigen materiaal


152 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven